SOFIE met een “f”

Ik was moe, ontzettend moe. 160 km had ik in de benen. Dit klinkt stoer moest ik als niet getrainde wielrenner mijn dag gevuld hebben met het laten rennen van mijn wielen, maar ik was moe van dit aantal kilometers met de auto af te leggen. De stoplichten, verkeerslichten, wegwijzers en flitspalen eisten mijn opperste concentratie om mij van A naar B te verplaatsen en enkele uren later opnieuw van B naar A. Eigenlijk van A(ntwerpen) naar H(asselt). En van H(asselt) nar K(apellen). Terwijl ik toch weer een poging onderneem om mijn zangstem te oefenen (want wie zegt er dat je niet beroemd kan worden op je 37e?) denk ik diep na waarom er enkel tekencursussen worden georganiseerd in steden die mij verder doen rijden dan pakweg een oversteek naar het buitenland. Rekening houdende met het feit dat 1) de oversteek naar Nederland voor mij slechts 3 minuutjes duurt vermits ik gewoonweg dicht bij de landsgrens woon en 2) mijn woonplaats geen stad is maar een dorp waar inderdaad geen tekencursussen plaats vinden doch de senioren vlijtig whatsapp kunnen oefenen in het plaatselijk cultuurcentrum, verbaast het je waarschijnlijk niet dat ik meermaals per maand het halve land doorkruis op zoek naar goed onderlegde lesgevers in de tekenkunde.

Ik was niet enkel moe van het rijden, doch ook van het wachten. Meer dan anderhalf uur liet ik iedereen voorgaan om hun creaties aan de deskundige uitgevers te tonen. Steeds meer bekroop me de angst dat mijn werk niet goed genoeg zou zijn en hoe dichter de wijzers richting 17.30u gingen (hoogtepunt van het spitsuur?) des te meer ik geneigd was te gaan aanschuiven in de file ipv achter de andere illustratoren in wording. Een piepklein stemmetje in mijn hoofd zei me door te zetten.

Mijn geduld zou enkel beloond kunnen worden door effectief een praatje te maken met de uitgever en ik nam me reeds voor om elke vorm van kritiek als opbouwend te beschouwen.

Het zou me psychologisch minder schade aanrichten en wie weet kon ik er wel werkelijk mee aan de slag. Met die kritiek. De kritiek bleef uit. Het werden lovende woorden die me des te harder motiveerden om door te zetten.

Vermits een wielrenner zijn trainingen ook uit meer dan alleen fietsen bestaan, zo bestond mijn programma die dag ook uit meer dan enkel tekenen. En praten over tekenen. En anderen te horen praten over tekenen. Ik zou nog gaan sporten!

En daarna werd ik pas écht moe.

Die ochtend had ik me in een zwarte satijnen rokje gehesen met gestreept bijpassend truitje en fashionable shiny zwarte instappers met veters. Loafers met veters dus. Die avond zou ik eindigen in mijn sportbroek met korte sportkousjes en jammer genoeg in dezelfde stylish shoes. Eenvoudigweg omdat ik geen sportschoenen nodig had in de sportschool waar ik ga. (Dat mysterie ontrafel ik nog een andere keer). En zelfs in zulke staat van vermoeidheid was ik mijn oog voor detail nog niet verloren. Want het matchte van geen kanten. Het was een afgrijselijk zicht zelfs. Tegen de vrouw die naast me zat terwijl ze haar sneakers dicht knoopte grapte ik dat ik hoopte de fashion-police niet tegen te komen op weg van K(apellen) naar A(ntwerpen). Maar toen ik haar in een snelle blik van kop tot teen scande, dacht ik meteen dat ze niet zou lachen met mijn grap. Ze had nog nooit gehoord van the fashion-police, laat staan dat ze hen al tegen gekomen was. Want dat had haar vast en zeker een hogere boete opgeleverd dan mijn negeren van flitspalen, stoplichten en snelheidsborden tesamen van die dag. Of van een hele maand. Nee oké, zo erg was het nu ook weer niet… als je nog in de fifties zou leven.

%d bloggers liken dit: